Vuurwerk (1961)

Zondag 31 december 1961, buiten was het met 2,8 graden vrij koud. Binnen was het lekker warm op Oosteind 21, de driegaatskachel in de kamer was gloeiend heet en verspreidde door de mica ruitjes een spookachtig schijnsel op het tegen betengel geplakte behang. 

De kerstboom stond er nog steeds, inclusief de kaarsjes, waarvan de geur ik in gedachten nu nog steeds kan ruiken. Ook de emmer met bluswater naast de boom stond er nog, gelukkig ongebruikt want de kans op brand was door de zeer droge boom wel erg groot geworden.

In de geïmproviseerde keuken stonden nóg twee emmers. Deze emmers waren tot de rand gevuld met oliebollen die pa had gebakken in de olie van het jaar daarvoor, op een gasstel waar de temperatuur niet van kon worden geregeld en de baklucht nog maandenlang in huis bleef hangen. Ze zagen er maar raar uit, die oliebollen, bijna zwart tot in de kern, en met uitsteeksels die aan de zeemijnen uit WWII deden denken. Alleen konden deze baksels niet ontploffen.  

Om een uur of negen 's avonds ging pa naar de keuken om karbonades te bakken, een vreemde combinatie met die oliebollen, maar dat was bij ons een traditie, vraag me niet waarom, maar dat deed hij al jaren. Ze smaakten overigens prima.

Daarna zaten we met spanning te wachten tot het twaalf uur zou worden. Merkwaardig eigenlijk, want er veranderde in wezen niets na middernacht, behalve de belastingen dan, maar als kind had ik daar geen last van.

Het was in die tijd ook een traditie dat bij het verlaten van het oude jaar de schepen op de rivieren hun scheepshoorns voluit lieten blazen, en samen met de kerkklokken een concert ten gehore gaven ter verwelkoming van een nieuw, maar vooral in de hoop op een beter jaar.

Na elkaar een gelukkig nieuwjaar te hebben gewenst togen we naar opoe en opa, die een stukje verderop woonden. Ook hier werden heftig de handen geschud en kregen mijn broertjes en ik een kwartje. Dat was ook traditie trouwens. Omdat pa ook niet de beroerdste was, had hij een stuk of tien van zijn oliecreaties in een oude krant gevouwen, Het Vrij Volk uiteraard, en overhandigde het pakketje aan de twee oudjes. 'Lekker!'' riep opoe dan quasi verheugd, hoewel ik wist dat die krant met inhoud over vier weken nog steeds in een of ander kastje zouden liggen. Ze vonden ze blijkbaar niet lekker.

Na deze plichtplegingen mochten wij nog even de straat op. Een eindje verderop waren jongens rotjes aan het afsteken, van die kleine dingetjes waar een hond of kat tegenwoordig smakelijk om zou moeten lachen, in plaats van bibberend weg te kruipen.

Eén van de jongens had een brandende sigaret in zijn hand, om de lontjes aan te steken en waar hij regelmatig een flinke trek van nam, liet een rotje vallen, dat pardoes het stoepje van mevrouw K. inrolde om daar een mini-explosie te veroorzaken. Onmiddellijk ging de deur open en stormde mevrouw K. naar buiten, zwaaiend met een gebalde vuist en luid roepend: 'Ik zèl je schelm, ik zèl je!' Maar er viel niks meer te zèllen, de knaap was er al meteen rap vandoor gegaan.

Om de oliebollencyclus voort te kunnen zetten, moesten die twee emmers met oliebollen nog leeg, anders stonden ze er aan het eind van het jaar nog steeds. Daarom werden ze leeggegooid in de bakfiets van Spek, de schillenboer, die er zijn varkens ieder jaar weer mee kon verrassen. 

Nog de beste wensen iedereen.